Wild Zwijn

(Sus scrofa)

Het wild zwijn, everzwijn of kortweg ever is een zoogdier uit de varkens familie. Het wild zwijn heeft van deze familie het grootste verspreidingsgebied, en komkt in grote delen van Europa, Noord-Arika en Azië voor.

Zijn borstelachtige vacht is ’s winters langer en donkerder dan in de zomer. In het voorjaar vallen de winterharen uit en wordt de vacht lichter en korter. Volwassen mannetjes zwijnen worden “keilers” genoemd, ze zijn goed te herkennen aan de twee grote slagtanden, die door jagers “houwers” worden genoemd.
De biggen (frislingen) hebben horizontale strepen over de vacht, ook wel een zwijnenpyjama genoemd, deze dienen te camouflage. De jongen worden geboren in een door het zeug (bagge) aangelegd nes, de kraamkamer. Dit betreft een grote kuil met wat varens, grassen en bladeren.

Wilde zwijnen zijn in de schemering en ’s nachts actief. Het zijn omnivoren en eten dus veel gewassen zoals maïs, bonen, sommige aardappelrassen, granen, bieten, kastanjes, eikels en ander op de grond gevallen fruit. Naast alle vegetatie eten ze ook gewonde dieren, jonge vogels, regenwormen en muizen. Ze wroeten met hun gevoelige snuit in de bodem, door dit gewroet komt de minerale ondergrond vrij waardoor bepaalde zaden beter kiemen.

Wilde zwijnen leven in groepen die rotten worden genoemd en bestaan uit vrouwtjes met hun jongen en een- en tweejarige zwijnen. Een typische rotte bestaat uit twee à drie vrouwtjes en de groep bestaat vaak uit ongeveer twintig individuen. Groepen van groter dan 50 individuen zijn echter vastgesteld. Keilers leven buiten de paringstijd meestal solitair.

Wilde zwijnen kunnen in het wild 8 tot 10 jaar oud worden en zijn
bejaagbaar van 1 juli tot en met 31 januari.